0031 162 224 468 info@jalodex.nl

De kleurcode van een lichtbron

De kleurcode van een lichtbron is opgebouwd uit twee componenten, te weten de kleurtemperatuur en de kleurweergave index, ook wel CRI (Color Rendering Index) genoemd.

De kleurtemperatuur van een lichtbron voor wit licht is gedefinieerd als de temperatuur van een hypothetisch zwart lichaam waarvan het uitgestraalde licht dezelfde kleurindruk geeft als de lichtbron. De kleurtemperatuur wordt meestal uitgedrukt in kelvin (K).
De golflengte van het uitgestraalde licht neemt af met toenemende temperatuur en heeft blauwachtig licht (korte golflengte) een hogere kleurtemperatuur dan roodachtig licht. Dit is tegengesteld aan de indruk die het licht op de mens maakt.

Praktisch gezien betekend dit dat een lamp, met een lagere kleurtemperatuur, geler oogt, en een lamp met een hoge kleurtemperatuur, meer als daglicht (blauwer licht) wordt ervaren. Zoals hieronder aangegeven, loopt het spectrum van zichtbaar licht van rood naar blauw en daarna zelfs ultraviolet.

Afbeeldingsresultaat voor kleurcodes in kelvin

De kleurweergave index, of CRI (Color Rendering Index)

De kleurweergave index van een lichtbron is een index voor de kwaliteit van kleurweergave, van door die lichtbron belichte objecten, vergeleken met de kleurweergave van dezelfde objecten belicht door een zwarte straler met dezelfde kleurtemperatuur als de te kwalificeren lichtbron. Een zwarte straler heeft per definitie een kleurweergave-index van 100.

De waarde van deze index kan variëren tussen de 0 en de 100. De waarde 100 wil zeggen dat het licht van een bepaalde lamp net zo goed de kleuren weergeeft als dat van een referentielamp of referentielichtbron. Afhankelijk van de kleurtemperatuur is deze referentielichtbron het zonlicht (kleurtemperatuur > 5000 K), of een zwarte straler zoals een gloeilamp (kleurtemperatuur < 5000 K). De berekening van de index staat beschreven in een publicatie, de CIE 13.3-1995.

Enkele voorbeelden

Bij kleurcode 640, is de kleurweergave index 6 (60), en de kleurtemperatuur code 40 (4000K).
Een lamp met kleurcode 640 geeft minder blauw af, dan die met een kleurcode 930 en wijkt daardoor van de standaard (het zonlicht) af.
Vandaar dat deze een lagere kleurweergave index heeft van 6 (60).

Een lamp met code 827, heeft dus een kleurtemperatuur van 2700 Kelvin, wat met een (gewone ) gloeilamp overeen komt. (zie tabel)

De kleurtemperatuur wordt behalve in kelvin ook uitgedrukt in mired, wat staat voor micro reciprocal degree, ofwel 1 miljoen gedeeld door de kleurtemperatuur in kelvin. Daglicht van 5000 K heeft dan een waarde van 200 mired.

Temperatuur in K) mired omschrijving
1200 833 Kaarslicht
2000 500 Zonopkomst en zonsondergang
2800 357 Gloeilamp, halogeenlamp, zonsopgang en zonsondergang
3000 333 3000-kleur TL-lamp (“/830”)  is kleurweergave 80 en kleurtemperatuur van 3000 K)
3200 312 Halogeenlamp
3400 294 Filmzon
3500 288 Een uur na zonsopkomst
4000 250 4000-kleur TL-lamp, (“/840”) is kleurweergave 80 en kleurtemperatuur 4000 K)
4200 – 4700 238 – 213 Mengsel van kunst- en daglicht
5000 200 Fototoestel- flitser, daglicht (“D50” is “Daglicht 5000”)
5400 185 Standaardwaarde voor televisie
5600 178 Standaarddaglicht
6000 167 Middagzon
6500 154 Wit/neutraal. Standaardwaarde voor monitor.
7000 – 10000 141 – 100 Zware bewolking of schaduw aan de noordzijde. Zonder direct zonlicht.

 

 

Oude versus nieuwe kleurcodes

Oude kleurcode Nieuwe kleurcode Kleurtemperatuur Kleur Kleurweergave
29 530 3000 (K) warm wit slecht
35 535 3500 (K) neutraal wit slecht
33 640 4000 (K) koel wit matig
25 740 4000 (K) standaard wit redelijk
54 765 5000 (K) koel daglicht redelijk
827 2700 (K) extra warm wit goed
830 3000 (K) warm wit goed
835 3500 (K) neutraal wit goed
840 4000 (K) koel wit goed
865 6500 (K) koel daglicht goed
930 3000 (K) warm wit zeer goed
940 4000 (K) koel wit zeer goed
950 5000 (K) daglicht zeer goed
965 6500 (K) koel daglicht zeer goed
15 rood n.v.t.
16 geel n.v.t.

 

 

 

 

 

 

Candela, Lumen en Lux 

Deze begrippen worden gebruikt voor het bepalen van de lichtsterkte en lichtopbrengst.

Vroeger, in de tijd van de kaarsen, (geen elektriciteit) werd de lichtsterkte bepaald met een kaars, met als eenheid de Candela.
1 Candela = de lichtsterkte (in een bundel) van 1 kaars.

Later is men de eenheid Lumen gaan gebruiken. Lumen is de som van al het uitgestraalde licht ongeacht de richting waarin het licht straalt. Lumen is een foto metrische eenheid wat betekent dat er rekening wordt gehouden met het menselijk oog bij het bepalen van de hoeveel lumen, die een lichtbron uitstraalt.

Voor het meten en bepalen van de hoeveelheid licht in een ruimte wordt de eenheid Lux (Latijns voor licht) gehanteerd. Lux is dus ook een eenheid van lichtsterkte. De hoeveelheid lux zegt hoeveel licht (lumen) er op een bepaald oppervlak (m²) terecht komt. Bijvoorbeeld voor een kantoor werkplek wordt 500 lux als verlichtingsnorm gehanteerd.

Het verschil tussen lumen en lux is dus dat lux rekening houdt met de oppervlakte waarover het licht verspreid wordt. Een lichtbron van 3000 lumen, verspreid over 1 m², verlicht die vierkante meter met 3000 lux. Dezelfde 3000 lumen, verspreid over 10 m², verlicht die oppervlakte met slechts 300 lux.

Elektrische veiligheidsklasse

Deze klasse-indeling voor elektrische apparaten is gemaakt om bepaalde elektrische eigenschappen van deze apparaten aan te geven en daaruit voortvloeiend, onder welke omstandigheden ze dan gebruikt mogen worden.
Niet elk elektrisch apparaat is geschikt voor iedere gebruiksomgeving. Bijvoorbeeld keuringsinstanties gebruiken deze indeling om apparaten te kunnen beoordelen op veiligheid.
Reparateurs geeft het informatie over bepaalde te gebruiken onderdelen. De indeling loopt van de laagste klasse 0 tot de hoogste klasse III.

Beschermingsklasse 0

Een gewone platte stekker, met twee aansluit pinnen. Ze lijken op die van klasse II, doch de isolatie is enkelvoudig. Hier te zien aan de twee individuele aders van het snoer.

In deze laagste klasse is er meestal maar een enkelvoudige afscherming tussen de elektrisch geleidende delen en gebruiker. Hierom is zo’n apparaat of object – bijvoorbeeld een schemerlamp erg kwetsbaar. Het geeft n.l. een minimale bescherming. Bij een defect zouden metalen delen onder spanning kunnen komen te staan. Apparaten in deze klasse zijn daarom alleen geschikt in een droge schone ruimte zoals bijvoorbeeld een woonkamer.

Klasse 0 apparaten worden steeds vaker vervangen door die van klasse II.

Beschermingsklasse I

  

Voor apparaten met aarding zijn de metalen delen aan de zijkant of de bus van de stekker het belangrijkst.

Metalen delen van apparatuur die in deze klasse vallen worden verbonden met een aardbeschermingsleiding, de zogenaamde aarde. Mocht er een defect ontstaan dan kan de stroom relatief veilig worden afgevoerd en de aardlekschakelaar in een meter, bouw- of zwerfkast afschakelen. Een apparaat van deze klasse wordt doorgaans aangesloten op een (wand) contactdoos met beschermingsaarde zoals type E met aardingspen, of randaarde type F.

Soms wordt er op een dergelijk apparaat een rondje met aardingsteken afgebeeld.

Beschermingsklasse II

  

Stekkers met 2 aansluit pinnen. Hier zit om de geïsoleerde geleiders nog een extra isolerende mantel. Apparaten die in deze groep vallen zijn dubbel-geïsoleerd of hebben een extra sterke isolerende behuizing.

Deze klasse is herkenbaar aan het verplichte dubbel-isolatie teken dat erop staat. Het dubbele vierkantje.

Beschermingsklasse III

     

Contactstop geschikt voor klasse III apparaten.

Dit is de hoogste klasse. De apparaten in deze groep werken op een extra lage spanning, van minder dan 50 volt AC (wisselspanning). Bijvoorbeeld 42 of 24 Volt. De spanning komt dan van een veiligheidstransformator. Er is ook veilige apparatuur die op 120 Volt DC (gelijkspanning) werkt.
Bij klasse III apparatuur wordt speciaal stekker-materiaal toegepast.

Apparaten in deze klasse zijn herkenbaar aan het symbool van een ruitje met, in het ruitje het III-teken.

IP- Beschermingsklasse

De IP-codering (International Protection Rating, ook soms Ingress Protection) op elektrische apparaten is een aanduiding voor de mate van beveiliging van de constructie van elektrische of elektronische apparatuur tegen eigen schade door gebruik in “vijandige omgevingen” en tegen eventueel gevaar voor de gebruiker.

De IP-aanduiding is internationaal genormaliseerd in de norm IEC 60529, en bestaat uit twee cijfers: het eerste geeft de beschermingsgraad tegen aanraken en indringen van voorwerpen, het tweede de beschermingsgraad tegen vocht.

Voorbeeld: een apparaat met de aanduiding IP 54 is een stofbestendig en plens dicht toestel.

Er ligt, al jaren, een voorstel voor een 3e kencijfer; “mechanische bestendigheid”. Naast de bescherming van materieel tegen voorwerpen, stof en water is het in bepaalde omstandigheden ook van belang dat materieel beschermd is tegen mechanische krachten (stootenergie). Om de bestendigheid tegen stootenergie aan te geven is er een voorstel voor een 3e cijfer. Dit cijfer is nog niet genormaliseerd, wel wordt het in een aantal landen zoals Frankrijk gebruikt.

Op de plaats van de x kan het tweede cijfer gedacht worden, ook kan met de ‘x’ bedoeld worden dat de bescherming tegen vocht niet van belang is.

Eerste cijfer
IP Bescherming tegen: Betekenis
0x Geen bescherming
1x Grote voorwerpen Bescherming tegen toevallige, oppervlakkige aanraking met de hand. Beschermd tegen indringen van vaste voorwerpen groter dan 50 mm
2x Middelgrote voorwerpen Bescherming tegen aanraking met de vinger. Aanraakveilig enkel voor meetapparaten. Beschermd tegen indringen van vaste voorwerpen groter dan 12,5 mm
3x Kleine voorwerpen Bescherming tegen aanraking met een werktuig. Aanraakveilig enkel voor meetapparaten. Beschermd tegen indringen van vaste voorwerpen groter dan 2,5 mm
4x Spitse voorwerpen Bescherming tegen aanraking met een werktuig. Beschermd tegen aanraking met een draad. Beschermd tegen indringen van vaste voorwerpen groter dan 1 mm
5x Stofbescherming Aanrakingsveilig doordat de behuizing geheel dicht is. Geen volledige bescherming tegen stof maar wel voldoende om de goede werking niet te hinderen.
6x Stofvrij Aanrakingsveilig doordat de behuizing geheel dicht is. Volledige bescherming tegen stof.

Ter informatie zijn de vergelijkbare Japanse Industriële Standaard (JIS) en IEC benamingen opgenomen. Op de plaats van de x moet het eerste cijfer gedacht worden.

 

Tweede cijfer
IP JIS IEC Klasse Betekenis
0 JIS 0 IP-x0 Geen Geen bescherming
1 JIS 1 IP-x1 Drupdicht Type I Geen schade indien onderhevig aan vallende druppel
2 JIS 2 IP-x2 Drupdicht Type II Geen schade indien onderhevig aan vallende druppels op een 15° gekanteld apparaat.
3 JIS 3 IP-x3 Spatdicht Geen schade indien besproeid (10 l/min) onder een hoek -60° tot 60°
4 JIS 4 IP-x4 Plensdicht Geen schade indien besproeid (10 l/min) onder eender welke hoek
5 JIS 5 IP-x5 Sproeidicht Geen schade indien bespoten (12,5 l/min) onder eender welke hoek
6 JIS 6 IP-x6 Waterbestendig Geen water indringing indien bespoten (100 l/min) onder eender welke hoek
7 JIS 7 IP-x7 Dompeldicht Geen water indringing indien ondergedompeld (30 min op 1 m)
8 JIS 8 IP-x8 Waterdicht Blijft bruikbaar onder water onder opgegeven omstandigheden
9 JIS 9 IP-x9 Vochtdicht Blijft bruikbaar bij een vochtigheidsgraad van meer dan 90% of besproeien onder hoge druk

IK- waarde

De IK-waarde staat voor de mate van slagvastheid van een armatuur. Deze waarde geeft aan in hoeverre een armatuur bestand is tegen mechanische schokken. Praktisch betekent dit dat na een schok wel enige vervorming van de spiegel en behuizing mag optreden, maar gebroken lampen, onveilige situaties en aantasting van de gegeven IP-codes zijn niet toegestaan.

UGR-waarde voor onbehaaglijke verblinding

In de norm NEN-EN 12464-1 wordt de UGR-methode (Unified Glare Rating) toegepast.
Deze is gebaseerd op de luminantie van de heldere delen van alle armaturen in een ruimte in verhouding tot de achtergrond luminantie, gezien vanuit de normale kijkrichting van een of meer waarnemers.
De introductie van een waarnemer betekent dat de verblindinghinder voor iedere plek in de ruimte en kijkrichting verschillend kan zijn, wat in overeenstemming is met de werkelijkheid.

 

De volgende factoren spelen een rol bij de bepaling van de UGR:

  • vorm en grootte van de ruimte;
  • oppervlaktehelderheid (luminantie)van wanden, plafond, vloer en andere grote vlakken;
  • type armatuur en afscherming;
  • lampluminantie;
  • verdeling van de armaturen over de ruimte;
  • waarnemer positie(s).

Het toepassingsgebied van UGR is vooralsnog tamelijk beperkt. Hij geldt alleen voor rechthoekige of vierkante ruimten, waarin slechts één combinatie van lamp, armatuur en afscherming wordt toegepast.
Deze mag géén asymmetrische lichtverdeling hebben. Alleen de directe verblinding wordt bepaald, met als gevolg dat de UGR van een volledig indirecte verlichtingsinstallatie altijd 0 is.

 

De UGR-kwaliteitsschaal

De UGR kan elke waarde innemen, van 0 tot zeer hoog, maar voor kwaliteitsbeoordeling van een verlichtingsinstallatie loopt de praktische schaal van ongeveer 15 tot 30.
Bovendien zijn verschillen kleiner dan 1 zelfs voor een geoefend oog nauwelijks waar te nemen.
Dit alles heeft geleid tot de invoering van vijf kwaliteitsklassen 16 – 19 – 22 – 25 – 28, waarbij het hoogste getal de meeste verblinding oplevert.

 

In de praktijk komen deze overeen met de volgende toepassingsgebieden:

28 – verkeersruimten, gangen
25 – archiefruimten, trappen, liften
22 – balieruimten
19 – normale kantoorwerkzaamheden
16 – technisch tekenen, CAD-stations

ATEX

ATEX staat voor de Franse benaming ATmosphères EXplosibles en wordt als synoniem gebruikt voor twee Europese richtlijnen op het gebied van explosiegevaar onder atmosferische omstandigheden.

Organisaties in de EU, waar explosiegevaar bestaat moeten voldoen aan de nieuwe ATEX 137-richtlijn (richtlijn 1999/92/EG), en de ATEX 95-richtlijn (richtlijn 94/9/EG), deze richtlijn is speciaal voor apparatuur die gebruikt wordt op plaatsen waar explosiegevaar is.
Explosieve atmosferen kunnen ontstaan door brandbare gassen, damp, nevel of stof. Als hiervan genoeg aanwezig is kan dit, vermengd met de omgevingslucht (zuurstof) en een ontstekingsbron tot een explosie leiden. Explosies kunnen dodelijk letsel, zwaargewonden en/of grote materiële schade veroorzaken.
Door één van deze drie factoren te elimineren kunnen explosies voorkomen worden.

Principes voor explosiebeveiliging:

  • Primair– Voorkomen dat er een explosieve atmosfeer kan ontstaan door het wegnemen of weghouden van alle brandbare stoffen en/of zuurstof
  • Secundair– Elimineren ontstekingsbronnen (speciale behuizingen, intrinsiek veilig maken)
  • Tertiair– In uiterste geval, explosies gecontroleerd toelaten en beperken van de gevolgen door explosiebestendige constructies (bv. breekplaten, vlamdovers)

In veel bedrijven kan de aanwezigheid van brandbare stoffen niet voorkomen worden en omdat in bedrijfsomgevingen vaak mensen werken is het veelal niet praktisch om zuurstof weg te halen.

De meest praktische manier om explosies te voorkomen is om de ontstekingsbron te elimineren.

Het “EX” teken

De ATEX productrichtlijn 94/9/EG (ook bekend als ‘ATEX 95’) beschrijft voorschriften voor apparaten (elektrisch en niet-elektrisch) en beveiligingssystemen op plaatsen (“zones”) waar stof- of gasexplosiegevaar kan optreden. Deze richtlijn is in Nederland opgenomen in het Warenwetbesluit Explosieveilig materieel en beschrijft de algemene veiligheidsdoelen. Specifieke eisen zijn opgenomen in Europese en internationale normen (o.a. NEN-EN-IEC 60079).

Explosieveilig materieel dat aan de voorschriften van ATEX 95 voldoet moet gemerkt zijn met het communautaire “Epsilon x” logo in een regelmatig zeskant. Hier geldt geen plicht tot een gele achtergrond. Voor dat materiaal moet de leverancier een CE-verklaring van overeenstemming afleveren.

De richtlijn 94/9/EG is per 20 april 2016 vervangen door de 2014/34/EU richtlijn (ook wel bekend als ‘ATEX 114’)

ATEX-richtlijn 1999/92/EG: Waarschuwing voor mogelijk explosieve atmosfeer

Deze ATEX bedrijfsrichtlijn 1999/92/EG (ook bekend als ‘ATEX 137’) beschrijft voor werkgevers de minimum veiligheidseisen om een gezonde en veilige werkomgeving te creëren voor werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. In België is deze richtlijn geïmplementeerd met een Koninklijk Besluit van 26 maart 2003, betreffende het welzijn van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. Voor Nederland zijn deze richtlijnen opgenomen in de Arbowet- en regelgeving.

Explosie gevaarlijk gebied dient voor werknemers duidelijk te worden gekenmerkt met een waarschuwingsdriehoek welke in zwart de tekst “EX” op een gele achtergrond bevat.

Eén van de verplichtingen van ATEX 137, artikel 8, voor werkgevers/eigenaren is opstellen en onderhouden van explosieveiligheidsdocumenten (Explosion Protection DocumentEPD). Belangrijkste onderdelen hierin zijn:

  • Gevarenzone indeling op basis van frequentie en duur
  • Identificatie en beoordeling explosierisico’s
  • Opstellen en plannen van maatregelen om tot een veilige werkomgeving te komen

Gelijktijdig met de vernieuwing van ATEX 95 door ATEX 114 (vanaf 20 april 2016) is ATEX 137 ongewijzigd omgedoopt in ATEX 153.

Zone-indelingen

Onderdeel van ATEX 137 is een risico-inventarisatie met het vaststellen van explosiegevaarlijke zones. Binnen deze zones moet dan ATEX 95 goedgekeurde apparatuur toegepast worden. Explosiegevaarlijk gebied kan in de volgende gevarenzones worden ingedeeld:

 

Zone Omschrijving
0 een explosief gasmengsel is voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig (meer dan 10% van de bedrijfsduur van een installatie of van de duur van een activiteit)
1 kans op aanwezigheid van een explosief gasmengsel onder normaal bedrijf is groot (tussen 0,1% en 10% van de bedrijfsduur van een installatie of van de duur van een activiteit)
2 kans op aanwezigheid van een explosief gasmengsel is gering en slechts gedurende korte tijd (minder dan 0,1% van de bedrijfsduur van een installatie of van de duur van een activiteit)
20 een explosie gevaarlijke stofwolk is voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig (meer dan 10% van de bedrijfsduur van een installatie of van de duur van een activiteit)
21 kans op aanwezigheid van een explosie gevaarlijke stofwolk onder normaal bedrijf is groot (tussen 0,1% en 10% van de bedrijfsduur van een installatie of van de duur van een activiteit)
22 kans op aanwezigheid van een explosie gevaarlijke stofwolk is gering en slechts gedurende korte tijd (minder dan 0,1% van de bedrijfsduur van een installatie of van de duur van een activiteit)

De Powerfactor, vermogensfactor, arbeidsfactor

Alle drie betekenen zij hetzelfde, n.l. de verhouding tussen het werkelijke vermogen (P) en het schijnbare vermogen (S) in een wisselspanningsinstallatie.

De powerfactor is de eenheid, die aangeeft hoe efficiënt elektrisch vermogen wordt afgegeven aan de verbruiker.

Werkelijk vermogen P [W]
Het werkelijk vermogen P is dat vermogen waarvoor we moeten betalen aan het energiebedrijf. Een voorbeeld: wanneer je een 100 W lamp hebt en je zet deze aan, dan is het zo dat je een vermogen trekt van P = 100 Watt. Laat je deze lamp 10 uur aan, dan heb je een hoeveelheid energie van 10 uur x 100 W = 1 kWh afgenomen.

Schijnbaar vermogen S [VA]
Bij een gewone weerstand, bijvoorbeeld een gloeilamp, is het schijnbaar vermogen gelijk aan het werkelijk vermogen.
Bij inductieve belastingen (bijvoorbeeld: TL verlichting) en complexere elektronica is het schijnbaar vermogen groter dan het werkelijk vermogen. Dit betekent dat er sprake is van blindstroom, er wordt meer stroom verbruikt dan werkelijk nodig. Schijnbaar vermogen wordt niet gezien op de kWh-meter, vandaar ook de naam.

Blindstroom

Elektronische apparatuur met een lage powerfactor verbruiken op de kWh-meter niet meer vermogen dan wordt aangegeven. Wel wordt extra stroom verbruikt, dit noemt men blindstroom. De blindstroom ontstaat doordat de capaciteiten in het elektrische circuit periodiek worden geladen en weer ontladen. De aanwezige zelfinducties bouwen periodiek een magneetveld op en breken het weer af.

De powerfactor
De powerfactor geeft nu aan in hoeverre er sprake is van ongewenst stroomverbruik. In de meest ideale situatie is de powerfactor 1, dit betekent: geen blindstroom. Een Powerfactor van 0,9 betekent dat er 10% meer stroom wordt verbruikt. Dit wordt veroorzaakt door het faseverschil tussen de spanning (Volt) en de stroom (Ampère).

Powerfactor en verlichting

LED, en driver verbruiken stroom. De hoeveelheid blindstroom  van een driver is afhankelijk van de Powerfactor. Goede kwaliteit LED verlichting heeft een powerfactor van minimaal 0.96. Inferieure LED producten hebben een powerfactor van bijvoorbeeld 0,6.
Het schijnbare vermogen is dan twee maal groter dan het werkelijke vermogen. Dit veroorzaakt dus veel blindstroom en een gevaarlijke situatie voor de elektrische installatie. Een hoge powerfactor is van groot belang.

Enkele indicaties van powerfactoren, van verlichtingsproducten zijn:
Gloeilamp 1.0
Spaarlamp 0,55
TL T8 verlichting (VSA) 0,60
TL T5 verlichting (EVSA) >0,95
LED TL + driver 0,50-0.98